Posts tonen met het label arrangeren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label arrangeren. Alle posts tonen

dinsdag 22 mei 2012

Content máák je niet, die kóóp je!


Het onderwerp vandaag op Discussie Dinsdag was “Content máák je niet, die kóóp je!”. In dit artikel een uitgewerkte samenvatting.

Het onderwerp ‘digitale content’ blijft de gemoederen bezig houden. Vaak met een wisselende aanleiding. Nu speelt het weer volop in het kader van de discussies over het Bring Your Own Device-principe (BYOD). Welk materiaal ga ik daar dan voor beschikbaar stellen en hoe kom ik daar aan?

Ook tijdens eerdere discussies is het onderwerp al eens voorbij gekomen. Om het geheugen op te frissen even de links op een rijtje:
Wat vaak in discussies over content en content maken terugkomt, zo ook vandaag, zijn de volgende onderwerpen:
  • Tijd - Leerkrachten en docenten geven aan niet te weten waar ze de tijd vandaan moeten halen om zelf materialen te maken of te arrangeren.
  • Kwaliteit – Materiaal dat door anderen is gemaakt, mist vaak kwaliteit als het gaat om bijvoorbeeld inhoud, koppeling aan doelen, opmaak en layout of is door het bestandsformaat niet universeel bruikbaar.
  • Effectiviteit – Materiaal dat nu wordt gemaakt is lang niet altijd in volgende jaren ook weer bruikbaar. Dit speelt in het VO meer dan in het PO, vanwege verschillende klassen en verschillende niveaus.
  • Vindbaarheid – Het kost veel tijd om geschikt materiaal van anderen te vinden.
  • Beloning – Ik steek er veel tijd in om wat te maken, terwijl de ander er niets voor hoeft te doen. Wat krijg ik er voor terug? Wat levert het mij op? 
Om bij dat laatste te beginnen: leerkrachten zijn vaak zeer enthousiast over leuke werkbladen die ze gratis van internet plukken, over een Yurls- of Symbaloo-pagina die een ander in elkaar heeft gezet of over een prachtige digibord-les. Soms wordt er wel eens bij gezegd: “Waar halen ze de tijd vandaan om dit te maken”. We maken zelf dus graag gebruik van het werk van de ander! Wat is de ‘beloning’ die wij hen daar zelf voor geven? Een bedankmailtje, tweet, vind-ik-leuk-je? Of wellicht helemaal niets? Geven we de ander wat wel zelf ook verwachten?

Een ander punt, de vindbaarheid, kan inderdaad ook weer tijdrovend zijn. Maar ook daarvoor geldt: oefening baart kunst! En ook op dit punt is delen van kennis weer belangrijk. Deel met je collega’s de sites waar wél goede content te vinden is! Dat voorkomt bij hen weer onnodig zoekwerk! daarnaast zouden aanbieders van content beter hun best moeten doen om de materialen goed te metadateren, zodat het beter en sneller te vinden is.

Wat de effectiviteit betreft: Zelf materialen maken loont inderdaad niet altijd. Als je allemaal verschillende klassen hebt van verschillende niveaus, dan is het rendement beperkt. En volgend jaar is het maar weer afwachten of je dan weer vergelijkbare klassen hebt en of je je materiaal dan dus kunt gebruiken. Scholen zouden hier wellicht meer rekening mee kunnen bij het inroosteren van docenten, zodat investeringen ook meer lonend zijn.

De kwaliteit van de materialen is eveneens een wezenlijk aandachtspunt. Content maken is een vaardigheid op zich! Er zit veel kaf tussen het koren. Door meer gebruik te maken van de mogelijkheid die er vaak is om bijvoorbeeld met sterretjes een rating te geven aan het materiaal helpen we elkaar om sneller bij het kwalitatief goede materiaal te komen. Beheerders van content(-sites) zouden daar ook meer op kunnen anticiperen en slecht materiaal gewoon moeten verwijderen.

En dan nog de factor ‘tijd’. Die lijkt bij elke discussie weer op te doemen. Tijd heb je niet, die maak je! Dat betekent keuzes maken. Misschien eens minder vergaderen en de daardoor vrijgekomen tijd steken in meer tijd voor de lesvoorbereiding. Bepaalde activiteiten maar laten schieten en je focussen op de kerntaken? Maak keuzes dus! En daarnaast geldt: Het hoort toch ook gewoon bij je lesvoorbereiding? Dat geldt toch ook als je methode-materialen gebruikt?

Een paar tips:
  • Begin eens met een hoofdstuk of een opdracht uit de methode waar je het minst tevreden over bent! Maak daarvoor een alternatief en deel die met collega’s.
  • Laat de leerlingen de opdracht niet verwerken in het werkboek, maar met een web 2.0-toepassing
  • Leren=creëren! Zet niet zelf van alles in elkaar, maar laat de leerlingen dat eens doen, waarbij de eis is dat ze moeten voldoen aan de door jou opgegeven doelen.
Wat levert het zelf maken van content je dan vervolgens op? Een opsomming vanuit de discussie:
  • Content kopen heeft dikwijls slaafsheid tot gevolg. Zelf construeren geeft eigenaarschap.
  • Je bent op een heel andere manier met de leerstof bezig, denkt er meer over na en bent meer gericht op de doelstellingen van de les.
  • Betere afstemming op de leerbehoeften van je leerlingen, onderwijs op maat.
  • Beleving! Verbinding met wat leeft en ervaringen!
  • Meer aansluiten bij de belevingswereld, de actualiteit, de ontwikkelingen.
  • Verhoogde motivatie - Voldoening over eigen produkt
Content maken of kopen? De beste optie zal een combinatie zijn van beide, afhankelijk ook van de tijd die je er voor wilt maken als school, de visie op onderwijs die je hebt, de beschikbare budgetten, enzovoort. Hoe dan ook: Met achterover leunen komt niemand een stap verder!

Was je niet in de gelegenheid om mee te doen met de discussie, maar heb je wel een standpunt hier over? Reageer dan op dit blog, via de LinkedIn-groep De toekomst voor onderwijs en ICT of via Facebook

Heb je zelf een suggestie voor een interessant discussie-onderwerp? Mail naar discussiedinsdag@gmail.com om het door te geven. Op discussiedinsdag.yurls.net vind je alle tijdens de discussie genoemde linkjes en ook die van alle voorgaande discussies.

Aan deze discussie deden de volgende Tweeps mee: @rinusd, @Netwijs , @Timgearz, @ReinBijlsma , @Sjaboepaan, @ellishouben81 , @HVorselman , @HvanSchie , @jvennink , @KoopmansRoelof , @GuusBouwhuis71 , @WiebeA
Dank voor het delen van jullie mening en ervaring!

Volgende week weer een nieuwe discussie over een nieuw onderwerp! #netwijs Discussie Dinsdag: elke dinsdag tussen 12.00 uur en 13.00 uur op Twitter. Discussieer mee over Onderwijs en ICT!

dinsdag 15 november 2011

Leraar heeft geen tijd om te experimenteren met ICT-gebruik in zijn les!

Het onderwerp vandaag op Discussie Dinsdag was “Leraar heeft geen tijd om te experimenteren met ICT-gebruik in zijn les!”  In dit artikel een uitgewerkte samenvatting.

‘De werknemer 2.0 trekt het werk niet naar zich toe, maar inspireert en daagt anderen uit een bijdrage te leveren’ was gisteren de spreuk van de dag op de Coachingskalender. Na de discussie viel mijn oog er op. Het sluit mooi aan op de discussie van vandaag. Of beter nog: het geeft mooi weer waar we in het onderwijs dagelijks mee bezig zijn! Kinderen inspireren en uitdagen, zodat ze zelf aan de slag gaan en daar ook gemotiveerd voor zijn. Daar ben je niet in je eentje mee bezig. Je hebt een team van collega’s om je heen, die datzelfde doen. Werknemer 2.0, of in dit kader Leraar 2.0, betekent dan ook dat je deelt met je collega’s: opgedane ervaringen, kennis, ideeën, materialen. Elkaar enthousiast maken en samen het wiel uitvinden.

Als het gaat om het gebruiken van ICT in de les valt er heel wat te delen met elkaar. Wat zijn er veel mogelijkheden en tools die je in kunt zetten! Haast oneindig veel! En dat is meteen een verzuchting die regelmatig klinkt: ‘Er zijn zoveel mogelijkheden, ik weet niet waar ik moet beginnen!’ Geen overzicht dus. Daar is prima op in te spelen in dit geval. Er zijn diverse sites met complete overzichten van zeer handige tools, programma’s, tips en trucs speciaal gericht op het onderwijs. Zelf op zoek gaan is niet nodig, dat hebben anderen al gedaan! En wil je het nog concreter? Of zelf op papier? Dat kan! Denk aan bijvoorbeeld BoekTweePuntNul of onze eigen ‘Lessen met ICT’. Je kunt zo aan de slag!

Zo gemakkelijk blijkt het echter ook weer niet. ‘Ik zal toch eerst het één en ander moeten uitproberen voordat ik het zomaar in mijn les kan gebruiken!’ zo is een veel gehoorde opmerking. En zo is het ook. Je zult je moeten voorbereiden op je les en dus zelf moeten gaan uitproberen, bijstellen, passend maken voor jouw les, jouw situatie en jouw leerlingen. Dat kost tijd!

En daarmee zijn we bij de stelling van deze discussie. Leraren hebben immers geen tijd?! Er zijn zoveel zaken, naast het lesgeven, die ook tijd kosten. Er wordt steeds meer van scholen en dus van leraren gevraagd. ‘Ik weet dat je veel met ICT kan in je les, maar het kost me zoveel tijd om me daar in te verdiepen! Die tijd heb ik gewoon niet!’
Anderen brengen daar tegen in, dat het inzetten van ICT juist ook weer tijd oplevert. Je investeert eerst tijd, maar die verdien je later weer terug! Denken op de langere termijn dus! Investeren in efficiëntie, kwaliteit en verrijking van je lessen. Helaas leeft breed het gevoel, dat het gebruik van ICT-middelen meer tijd kost, dan dat het tijd oplevert. En dus wordt er voor gekozen om de kostbare tijd maar anders in te zetten.

Dat is het conflict waar vele ICT-coördinatoren en ICT-enthousiaste leraren dagelijks tegen aan lopen. Zelf de voordelen zien, deze ook delen, maar de boodschap komt niet over! Frustraties over en weer. Is het: niet kunnen? Niet willen? Heeft het te maken met persoonlijkheid of mentaliteit? Met overvraagt worden? Faalangst? Angst om de vertrouwde werkwijze en methodes los te laten?

Móet je dan perse ICT-middelen inzetten? Het is maar één van de middelen en niet altijd per definitie beter. Toch? Aan de andere kant: kinderen groeien op in een wereld waar ICT zo in verweven is, dat je er binnen het onderwijs niet omheen kunt. Niet willen gebruiken in je les is dus eigenlijk geen optie. Tenzij goed onderbouwd! Er kunnen goede redenen zijn om de computer niet in te zetten, maar ándere middelen in te zetten. Als leraar ga je uit van je lesdoelen en de specifieke doelen voor individuele leerlingen. Op basis van zijn professionaliteit kan de leraar er voor kiezen om een ander middel te gebruiken, omdat hij/zij inschat, dat daarmee de doelen beter gehaald zullen worden. Deze keuze mag dan echter niet voortkomen uit het niet kennen van de middelen, gebrek aan eigen vaardigheden, onwil, niks met computers hebben, enzovoort. Het moet dan echt een didactische keuze zijn.

Om alle leraren op dat niveau keuzes te laten maken, zal er ruimte moeten zijn voor kennis delen, voor samen ontwikkelen, voor scholing en dat alles vanuit een duidelijke visie op onderwijs. Het vraagt om leraren, die boven de leerstof staan en het curriculum kennen. Leraren die zelf arrangeren om de leerlingen optimaal te kunnen laten leren. Die durven te experimenteren en naar nieuwe wegen durven zoeken. Daarin hoef je niet het wiel zelf uit te vinden. Maak gebruik van de kennis van je ICT-coördinator en van andere collega’s.
Terecht werd tijdens de discussie opgemerkt, dat dat niet alleen voor ICT-middelen geldt, maar voor alle middelen. Wat doe je als je zelf niet muzikaal bent, maar een collega wel? Wat kun je dan aan elkaar hebben? Heb je moed om je collega om hulp te vragen? Of de mogelijkheid te onderzoek om je collega in jouw klas muziek te laten geven en jij in zijn klas geschiedenis? Heb je het lef om eens iets nieuws uit te proberen, zonder direct zicht te hebben op het verloop en de resultaten? Durf je jezelf te ontplooien?

Experimenteren hoeft niet iets groots en geweldigs te zijn. Gebruik eens een andere tool voor je wiskundeles, laat het boekverslag eens op een andere manier doen, laat je leerlingen een presentatie maken met Prezi in plaats van Powerpoint, probeer eens een kant en klare les uit rond een web 2.0-toepassing. Ervaar eens wat het doet met jezelf en vooral ook met de leerlingen. Laat je collega’s ook zien wat leerlingen gedaan hebben of beter nog: laat het hen zelf presenteren!
Begin met wat je wilt bereiken en ga dan op zoek naar mogelijkheden om dat te bereiken. En nogmaals: Heb je zelf niet de ideeën, vraag dan je ICT-coördinator of andere collega’s om raad. Maak gebruik van andermans expertise! En wat de tijd betreft: Tijd heb je niet, maar tijd maak je!

En voor de ICT-coördinatoren en –enthousiastelingen: Waak ervoor je collega’s te overvoeren. Durf te doseren! Doe niet alsof er niets anders bestaat dan ICT, alsof ICT gebruiken in je les de zevende hemel is. LAKS dus: Langzaam Aan in Kleine Stapjes! En begin niet bij het middel, maar bij het te bereiken doel! Laat van daar uit de meerwaarde zien.

Was je niet in de gelegenheid om mee te doen met de discussie, maar heb je wel een standpunt hier over? Reageer dan op dit blog of via de LinkedIn-groep De toekomst voor onderwijs en ICT.

Heb je zelf een suggestie voor een interessant discussie-onderwerp? Mail naar discussiedinsdag@gmail.com om het door te geven. Op discussiedinsdag.yurls.net vind je alle tijdens de discussie genoemde linkjes en ook die van alle voorgaande discussies.

Aan deze discussie deden de volgende Tweeps mee:
@rinusd, @Netwijs , @amberwalraven , @Sjaboepaan , @TwietAnita , @pavl , @GUPAGEBO , @jvennink , @karinwinters , @ruudleuverink , @J_Karstens , @pbkoning71 , @jelmerevers , @JannekeGielisse , @devlies , @RicardoEshuis , @dancing_prinzes, @jong_leren

Volgende week weer een nieuwe discussie over een nieuw onderwerp!
#netwijs Discussie Dinsdag: elke dinsdag tussen 12.00 uur en 13.00 uur op Twitter. Discussieer mee over Onderwijs en ICT!

dinsdag 30 november 2010

De meerwaarde van digitale methodische materialen

Het onderwerp vandaag op Discussie Dinsdag was “De meerwaarde van digitale methodische materialen”. In dit artikel een eigen reflectie op het onderwerp aangevuld met opmerkingen vanuit de discussie.

Het begrip ‘digitale methodische materialen’ vraagt eerst om een toelichting. Het meest bekend en ingeburgerd is de methodegebonden educatieve oefensoftware. Daarnaast zijn er de aanvullende digitale opdrachten, al dan niet webbased. En tot slot de digitale versie van de boeken en werkboeken, al dan niet interactief. Bij deze laatste rekenen we ook de methodegebonden instructiesoftware voor leerkrachten.


De methodegebonden oefensoftware is op veel scholen al lange tijd in gebruik. Voordeel is, dat het aansluit op de methode wat betreft aanpak, onderwerp en lay-out. Vaak ook is de registratie van het werk van de leerlingen goed op orde. Uiteraard ook hier weer de nodige accent- en kwaliteitsverschillen. Met de komst van internet ontstond ook de mogelijkheid om online aanvullingen te plaatsen. Te denken valt daarbij aan uit te printen materialen, maar ook aan online opdrachten. Voordeel was, dat het snel aan te vullen en actueel te houden was door de uitgevers.

Met name door de komst van de digitale schoolborden ontstond er vanuit de scholen een toenemende vraag naar digitale materialen passend bij de methode. Scholen gingen zelf aan de slag met het inscannen van hun methodematerialen. Uitgeverijen waren daar niet blij mee, immers de copyright was in het geding. Het duurde dan ook niet lang of de uitgevers boden zelf de digitale versie aan van de materialen. Sommigen zetten daarbij ook meteen de stap naar een wat meer interactieve versie, waarbij bijvoorbeeld instructietools, links, aanvullende afbeeldingen, etc. direct vanuit het materiaal waren te openen.

Met de komst van Classmates en Ipads en dergelijke neemt de vraag naar digitaal materiaal toe. De vraag bij deze materialen is: Wat voegen ze toe aan het papieren materiaal, zoals we dat jarenlang hebben gebruikt. Deze vraag was min of meer ook de aanleiding voor de stelling. In de praktijk komen we regelmatig leerkrachten en docenten tegen, die het materiaal, dat methodeuitgevers aanbieden aan scholen, een aanfluiting vinden. “Het is niets meer, dan een ingescande versie met soms wat extra toeters en bellen, maar echt meerwaarde heeft het nauwelijks, behalve dan financieel voor de uitgevers zelf.” Zo maar een gehoorde opmerking. De vraag is dan in hoeverre een opmerking als deze terecht is.

vier in balans
We moeten hierbij onderscheid maken tussen enerzijds de meerwaarde van het digitale materiaal zelf en anderzijds de meerwaarde van het gebruik ervan. Uiteraard heeft het één daarbij invloed op het ander. In dit proces hebben we te maken met de mogelijkheden en onmogelijkheden van het digitale lesmateriaal, de kwaliteit en de mogelijkheden van de ICT-infrastructuur, de deskundigheid van de leerkracht en last but not least met visie oftewel met de Vier in Balans (Kennisnet).

In de discussie werd aangegeven, dat het begint met de vraag wat de school nu eigenlijk wil. Wat is je visie op onderwijs, wat zijn je lesdoelen, wat wil je bereiken met je leerlingen? Daarna komt pas de vragen waarmee en hoe. Als school zet je de lijnen uit en vervolgens ga je op zoek naar daarvoor geschikte wegen en materialen. De materialen van educatieve uitgeverijen zijn daarbij een mogelijkheid, maar niet dé mogelijkheid.

Kies je voor digitale materialen, al of niet methodegebonden, dan dient vervolgens de vraag zich aan of wat betreft organisatie haalbaar is. Zijn er voldoende computers, laptops, digiborden, classmates of Ipads om het ook daadwerkelijk effectief in te kunnen zetten? Wat is daarvoor organisatorisch nodig? Hebben we de leerkrachten en het ondersteunend personeel voldoende kennis en vaardigheden?

succesfactoren
Succesfactor in dit geheel is de vraag of de vier aandachtgebieden daadwerkelijk in balans zijn. Want het materiaal kan nog zo goed zijn; als de leerkracht er niet mee kan werken behaal je niet het gewenste rendement. En de leerkracht kan nog zo vaardig zijn; als er maar een beperkt aantal computers beschikbaar is of een slechte internetverbinding dan kom je niet daar waar je wilt. Het één kan niet zonder het ander.

In de discussie werden enkele aspecten genoemd waar digitaal materiaal tenminste aan zou moeten voldoen. Allereerst dat het de mogelijkheid biedt tot actueel onderwijs en tot het actueel houden van de materialen. Steeds nieuwe boeken aanschaffen is niet meer nodig, want je hebt altijd de meest actuele versie online beschikbaar. Uitgevers hoeven niet meer een hele methode aan te passen maar kunnen delen aanpassen, die niet meer actueel zijn of die achterhaald zijn vanwege nieuwe (didactische) inzichten.

Een ander belangrijk aspect is, dat het leerkrachten in staat stelt efficiënt te werken, zowel in de voorbereiding van als de uitvoering van de les. Daarnaast moet het voor de minder ervaren en vaardige leerkracht een goede basis leveren en voor de meer ervaren en vaardige leerkracht voldoende mogelijkheden en flexibiliteit bieden om naar eigen inzicht arrangementen te wijzigen of aan te vullen. Deze eigen arrangementen en materialen zouden eenvoudig opgeslagen en gedeeld moeten kunnen worden. In dit kader verwijzen we ook graag naar het verslag van een eerdere discussie: ‘Lesmateriaal volgens het maggi-pricipe’.

Ook interactiviteit is een wezenlijk aspect. Leerlingen moeten worden uitgenodigd en uitgedaagd om met het materiaal aan de slag te gaan, op onderzoek te gaan in aanvullende bronnen, te reageren, enzovoort. Koppeling met verschillende beschikbare (moderne) media is in deze tijd daarbij een must. En ruimte voor het ontdekkend en ervarend leren van leerlingen.

Leerlingen en leerkrachten aan het werk met actueel, uitnodigend, uitdagend, interactief en innovatief materiaal van hoge kwaliteit. Vol verwachting klopt ons hart waarmee de uitgevers ons op de NOT in januari verrassen!

Tot zover het verslag van de discussie. Er valt nog veel meer over te zeggen! Heeft u zelf nog aanvullende opmerkingen of ideeën? Plaats ze als reactie op deze blogpost.
Op discussiedinsdag.yurls.net vindt u nog enkele interessante aanvullende links, die genoemd werden tijdens de discussie. Heeft u zelf een suggestie voor een interessant onderwerp? Mail naar discussiedinsdag@gmail.com om het door te geven.

Aan deze discussie deden de volgende Tweeps mee:
@rinusd, @Netwijs , @Wiswijzer2 , @Mennovh , @uitgaca, @robertdevilee , @YFab1 , @Citowoz , @JoostWissink , @ronnyvoorhuis , @lexhupe , @Timgearz , @PascalMarcelis

Volgende week houden weer een nieuwe discussie over een nieuw onderwerp!
#netwijs Discussie Dinsdag: elke dinsdag tussen twaalf en twee op Twitter. Discussieer mee over Onderwijs en ICT!

dinsdag 31 augustus 2010

Lesmateriaal volgens het Maggi-principe: een beetje van jezelf en een beetje van de uitgever.

Het onderwerp vandaag op Discussie Dinsdag was “Scholen moeten investeren in eigen lesmateriaal in plaats van dure methoden.” In dit artikel een uitgewerkte samenvatting.

In de dagen voorafgaand aan de discussie trok het onderwerp de aandacht. Het leeft blijkbaar en is dus een discussie waard. Jaarlijks geven scholen veel geld uit aan lesmethoden, bijbehorend verwerkingsmateriaal en de licenties voor de eventuele software. Is dat terecht of kan het geld ook anders worden besteed?

Eigen materiaal ontwikkelen
Enkele leerkrachten en docenten brachten in, dat ze goede ervaringen hebben met het zelf ontwikkelen van lesmateriaal. Het stimuleert je eigen creativiteit en zorgt voor meer betrokkenheid. Je bent echt met je vak bezig. Vaak blijkt, dat leerkrachten die puur vanuit methodes lesgeven het zicht op de doelen kwijtraken en de leerlijnen minder in hun hoofd hebben. Eigen materiaal ontwikkelen dwingt je om je hier weer in te verdiepen.
Ook lijkt er meer aandacht te zijn voor de individuele behoefte van leerlingen doordat lesmateriaal beter op het niveau van de leerling wordt afgestemd. Verder is met eigen materiaal beter aan te sluiten op de actualiteit en op de visie van de school.

Tegelijk werd ook opgemerkt, dat bijvoorbeeld jonge leerkrachten aangeven veel steun aan de methode te hebben en eigenlijk niet zonder kunnen. Zegt dat iets over hun opleiding, hun competenties, hun creativiteit of zijn ze slachtoffer van het systeem dat we nu eenmaal hebben in Nederland? Wat maakt Nederlandse leerkrachten en docenten anders dan bijvoorbeeld hun Engelse collega’s, die nauwelijks kant-en-klare methoden kennen en zelf wel materialen móeten ontwikkelen?

Materiaal delen
Vervolgens diende ook de vraag zich aan, wat er met het ontwikkelde materiaal gedaan wordt. Houdt de maker het voor zichzelf of voor de school? Wordt het gedeeld binnen het eigen cluster, de stichting of vereniging of wordt het openbaar beschikbaar gesteld? Wat is dan het meest geschikte platform daarvoor? Hoe zit het met auteursrechten of wordt er gebruik gemaakt van Creative Commons?
Er zijn al verschillende initiatieven geweest rond communities en platforms, maar telkens is de animo beperkt en komt het niet of moeizaam van de grond. Ook de kwaliteit van het materiaal laat in veel gevallen te wensen over. Lees bijvoorbeeld de ervaring van Rick. Nu zullen er ongetwijfeld ook tegenovergestelde verhalen te vertellen zijn, maar het is zeker een punt van aandacht.

Vaardigheden om zelf te ontwikkelen
Door verschillende discussie-deelnemers werd opgemerkt, dat het ontwikkelen van eigen materialen de nodige vaardigheden vraagt. Zijn leerkrachten en docenten in staat om eigen lesmaterialen te ontwikkelen, rekening houdend met een doorgaande lijn en de kerndoelen? Hoort dat bij zijn of haar professie of is het echt een vak apart, dat je aan de uitgeverijen moet overlaten, die daarvoor opgeleide mensen in dienst hebben?

Kwaliteit
Daarmee komen we bij het punt van de kwaliteit en de bewaking daarvan. Bij methoden ontwikkeld door een uitgeverij tref je vaak een uitgebreide verantwoording aan met didactische en pedagogische uitgangspunten. Daarnaast een overzicht van de leerlijn, de doelen en de koppeling aan door de overheid vastgestelde kerndoelen. Scholen, die hun eigen materialen gaan ontwikkelen, zullen ook dat stuk serieus op moeten pakken om hun onderwijs te verantwoorden. Zowel het ontwikkelen van de materialen als de verantwoording, borging en kwaliteitsbewaking kosten veel tijd en expertise. Het is de vraag of scholen dan daadwerkelijk goedkoper uit zijn en of de baten opwegen tegen de kosten.

Samenwerken
De gedachte, die bij verschillende discussie-deelnemers instemming vond, was het Maggi-principe: Een beetje van de uitgever en een beetje van jezelf. Laat de uitgevers doen waar ze goed in zijn: leerlijnen opstellen en kwalitatief goede materialen ontwikkelen, die voldoen aan de kerndoelen. Deze kunnen beschikbaar gesteld worden via een platform waar leerkrachten en docenten zelf hun lessen arrangeren op basis van hun eigen professie: onderwijs op maat geven. Binnen een dergelijk platform zou ruimte moeten zijn om ook eigen materialen toe te voegen en te delen.
Scholen zouden alleen moeten betalen voor dat wat wordt gebruikt en per leerling. Dit in tegenstelling tot nu, waarbij delen uit de methode worden overgeslagen, verwerkingsmateriaal ongebruikt blijft en computerprogramma’s soms amper gebruikt worden. Het geld, dat zo bespaard kan worden, kan door scholen besteed worden aan een goede infrastructuur en apparatuur en aan professionalisering.

Faciliteren
Scholen zouden een vast percentage van de niet-lesgebonden uren kunnen reserveren voor het arrangeren van lesmateriaal. Ook werd het idee genoemd om oudere leerkrachten en docenten, die wat minder voor de klas willen mede hiervoor in te zetten. Vanuit hun jarenlange ervaring kunnen ze een belangrijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van de lesmaterialen. Er bestaan diverse scholingsmogelijkheden om ze daar extra voor te kwalificeren.
Daarnaast kan ook betere samenwerking binnen het verband waar de school deel van uit maakt de nodige winst opleveren door bijvoorbeeld bovenschoolse vakgroepen in het leven te roepen en te werken vanuit een gezamenlijke visie.
Ook is het de moeite waard eens stil te staan bij de rol van leerlingen zelf, zoals o.a. gebeurt in het Freinet-onderwijs. Lees in dit kader ook eens het artikel “Leerlingen maken binnenkort hun eigen lesmateriaal”.

Lef
Het zou mooi zijn wanneer ontwikkelaars van lesmethoden op deze manier beter gaan samenwerken met onderwijsgevenden, ieder vanuit zijn of haar eigen expertise. Daarmee zou een belangrijke stap gezet worden richting eigentijds en passend onderwijs. Het vraagt van een uitgever veel lef, administratieve en juridische rompslomp en risico's op auteursrechterlijk gebied. Maar de praktijk leert inmiddels dat het kan! Zo meldt uitgeverij Edu’Actief , dat het hier al mee bezig is en ook een website als Arrangeren doe je zo, komt al een eind in de richting.
Wanneer er meer initiatieven zijn van uitgeverijen, dan horen we dat natuurlijk graag!

Tot zover het verslag van de discussie. Er valt nog veel meer over te zeggen! Heeft u zelf nog aanvullende opmerkingen of ideeën? Plaats ze als reactie op deze blog.
Op discussiedinsdag.yurls.net vindt u nog enkele interessante aanvullende links, die genoemd werden tijdens de discussie. Heeft u zelf een suggestie voor een interessant onderwerp? Mail naar discussiedinsdag@gmail.com om het door te geven.

Volgende week houden weer een nieuwe discussie over een nieuw onderwerp!
#netwijs Discussie Dinsdag: elke dinsdag tussen twaalf en twee op Twitter. Discussieer mee over Onderwijs en ICT!

woensdag 4 augustus 2010

Standaardisatie digibordsoftware wenselijk voor gemiddelde leerkracht

Het onderwerp vandaag op Discussie Dinsdag was “Stand-alone of online varianten van digibord software zijn prima bruikbaar.” In dit artikel een uitgewerkte samenvatting.

De digitale schoolborden hebben het onderwijs veroverd de afgelopen jaren. En inmiddels doen ook de LCD-schermen hun intrede in de klaslokalen. Deze borden en schermen worden geleverd met bijbehorende merkgebonden software. Denk bijvoorbeeld aan het SMART Board, het ActivBoard, het StarBoard, het HD-bord of één van de 20 andere merken digiborden. Maar inmiddels zijn er ook diverse merk-onafhankelijke software-pakketten verkrijgbaar. Kennisnet maakte er een overzicht van. In sommige gevallen zijn ze gratis te gebruiken. En dan zijn er ook nog de verschillende platforms met tools voor gebruik op het digibord en altijd en overal online beschikbaar.

André Manssen vroeg zich op zijn weblog af, wat het nut is van deze merk-onafhankelijke software. Er zit toch al software bij het bord? Henk Heurter maakte een vergelijking van verschillende beschikbare pakketten op het Netwijs Edublog. Tijd om er een Discussie Dinsdag aan te wijden.

Wanneer je als school een digibord of LCD-scherm aanschaft, laat je je als het goed is goed voorlichten. Daarbij wordt zowel naar de hardware als naar de software gekeken. Kan het bord, technisch en softwarematig, wat je er mee voor ogen hebt? Sluit het aan bij je wensen? Waarom kies ik voor dit bord en niet voor die ander?
Na het maken van een keuze volgt de implementatie, vaak met één of meer trainingen gericht op het leren gebruiken van de software. Dit is dan de software, die meegeleverd wordt bij het bord. Wat een extra mogelijkheden ineens ten opzichte van het krijtbord! Tot zo ver niets aan de hand.
Dan komt het moment, dat leerkrachten wat meer thuis raken in het gebruik van het digibord en verder gaan kijken. De portalen met filmpjes voor het onderwijs. En de sites met allerlei handige gereedschappen, die tijdens de les heel goed bruikbaar zijn. Nog meer mogelijkheden en allemaal online beschikbaar. Ook wordt eens gekeken naar lessen, die door anderen zijn gemaakt. Je kunt ze downloaden en zo in je eigen les gebruiken, soms na zelf wat bijschaven. Prachtig toch?

Dan kom je lessen tegen, die gemaakt zijn met bijvoorbeeld de SMART Notebook software. Net over een onderwerp waar jij aandacht aan gaat besteden. Maar je hebt een ActivBoard in je klas hangen. Kun je de les gebruiken? Ja, maar je bent wel aangewezen op de online beschikbare Notebook Express of de Notebook Viewer. Extra software dus. Importeren in ActivInspire kan ook, maar bepaalde functionaliteiten, die in de les zaten, zullen dan niet meer werken. Wat gemaakt is met de software van bord A is niet zomaar te gebruiken op bord B. Het installeren van de software van een ander merk bord is vaak ook geen optie. De software is niet los van een bord aan te schaffen. En als je er al de beschikking over hebt merkt de software bovendien, dat de juiste hardware ontbreekt en zal niet of niet goed functioneren.
Educatieve uitgeverijen doen ook nog een duit in het zakje, door los van elkaar, methodegebonden software en tools te ontwikkelen. Bedienen van de klanten, maar tegelijk ook meer versnippering.

Dat is, waar scholen tegen aan lopen. Gemaakt materiaal is niet uitwisselbaar vanwege de verschillende soorten software. Soms wordt er dan voor gekozen om merk-onafhankelijke software te gebruiken, vaak naast de merk-gebonden software. Soms ook omdat dat andere pakket net die mogelijkheden heeft, die jij wilt gebruiken. Kijken we dan ook nog naar de portalen met digibord-gereedschappen en filmpjes, dan heb je heel wat tot je beschikking.
Een grote gereedschapskist met alles wat je nodig hebt om een geweldige les te geven. Het vereist wel, dat een leerkracht in staat moet zijn al die gereedschappen te overzien, van elkaar te onderscheiden en op een goede manier te gebruiken en zo een goede les te arrangeren. Die gereedschappen gebruik je om interactief, motiverend onderwijs te geven.

Bij de vele softwarepakketten, of ze nu merk-gebonden of merk-onafhankelijk zijn, zit overigens veel kaf tussen het koren. Veel pakketten zijn niet geschikt voor onderwijskundig gebruik. Anderen daarentegen zijn gemaakt vanuit het onderwijs en hebben al jarenlang ervaring in het onderwijs en een lange ontwikkeling achter de rug. De kwaliteitsverschillen zijn groot en daar zit vaak ook een prijskaartje aan.

Zou het onderwijs er niet bij gebaat zijn bij meer standaardisatie, zodat het niet direct uitmaakt op welke school je werkt, maar je altijd en overal de beschikbare materialen en tools kunt gebruiken op elk digibord of LCD-scherm? De hardware zou toch niet je keuzemogelijkheden mogen inperken? Legt dit niet een rem op het delen van materiaal, wat juist nu zo wordt gestimuleerd?
Standaardisatie is een lastig probleem. Kijk naar de vele soorten video-formaten. Of denk aan de talloze verschillende opladers voor mobieltjes of de apps, die alleen op bepaalde telefoons werken. Enerzijds willen fabrikanten mensen binden, anderzijds willen ze zoveel mogelijk mensen bereiken. Wat geef je vrij en wat niet? Er moet immers geld worden verdient!
Er is overigens een poging gedaan een Common File Format te ontwikkelen, maar het leverde niet echt een sterk resultaat op.

Voor scholen is het zaak om zich goed te oriënteren en binnen een vereniging of samenwerkingsverband afspraken te maken en zo in elk geval intern te zorgen voor een standaard.
Sommige merken doen hun best om tot op zekere hoogte te zoeken naar afstemming. SMART doet een poging om met de webbased Notebook Express mensen te bedienen, die niet de beschikking hebben over een SMART Board en toch een Notebook les willen gebruiken. Er wordt nog volop aan gesleuteld. Andere merken zullen ongetwijfeld ook met een dergelijk concept komen. Voor de gemiddelde leerkracht zou het wenselijk zijn om meer uitwisseling tussen de softwarepakketten mogelijk te maken.

Ook is het verstandig, dat scholen zich realiseren, dat er van de leerkracht van nu een nadere mindset nodig is. Om de vele gereedschappen, lesactiviteiten, web2.0-toepassingen, etc. te gebruiken in je les vereist de nodige vaardigheden en vraagt van de leerkracht dat hij een les kan arrangeren. Dat is wat anders dan een les geven uit de methode. Het past ook bij ontwikkelingen als Passend Onderwijs, wat vraagt om maatwerklessen, soms naast de methode soms in plaats van.
Een mooi beeld om vast te houden: Wanneer je gaat koken gebruik je eerst een recept. Het liefst van een ervaren kok om misbaksels te voorkomen. Je gebruikt daarbij wel je eigen pannen en je eigen keukengerei. Na verloop van tijd ken je het recept en ga je variëren en bepaalde ingrediënten aanpassen, omdat het dan net even lekkerder is of net even weer anders, waardoor het opnieuw verrassend is.
Zo is het ook met lesgeven met een digibord. Het zou jammer zijn, wanneer de leerkracht alles voorgeschreven krijgt van recept tot aan gerei en niet meer zelf kan bepalen hoe hij wil kokkerellen!

Tot zover het verslag van de discussie. Er valt nog veel meer over te zeggen! Heeft u zelf nog aanvullende opmerkingen of ideeën? Plaats ze als reactie op deze blogpost.
Op discussiedinsdag.yurls.net vindt u nog enkele interessante aanvullende links, die genoemd werden tijdens de discussie.

Volgende week houden weer een nieuwe discussie over een nieuw onderwerp!
#netwijs Discussie Dinsdag: elke dinsdag tussen twaalf en twee op Twitter. Discussieer mee over Onderwijs en ICT!